You are here

De natuurstad in 4 landschappen

Het Brussels Gewest bestaat uit 4 grote types landschappen die onderling verschillen en verbonden zijn: de dense stad, de bosstad, de plattelandsstad en de waterstad. Samen vormen zij het groene en blauwe netwerk en het ecologische netwerk waarlangs planten en dieren zich kunnen verplaatsen en ontwikkelen.

De natuurstad van 2030 is een stad waarin de natuur niet alleen aanwezig is, maar een stad die natuur wordt, waar elke kans gegrepen wordt om opnieuw plaats te geven aan levende wezens.

Leefmilieu Brussel ontwikkelt momenteel een natuurplan op basis van deze 4 types landschappen om de biodiversiteit te beschermen en rekening te houden met de diverse ecosystemen.

Dense stad

Dit is het meest verstedelijkte en verharde deel van de stad, dat in mindere of meerdere mate ondoorlatend is gemaakt. Het is vaak een harde omgeving voor levende wezens, maar kan ook onverwachte rijkdommen bevatten, die soms moeilijk zichtbaar zijn en vaak onder druk staan.

De fauna van de dense stad heeft zich gedeeltelijk aangepast aan onze infrastructuur. Wilde bijen nestelen tussen de stoeptegels, mussen tussen de gevelstenen, gierzwaluwen in de dakgoten, zwaluwen tegen de gevels, vleermuizen onder de dakpannen en slechtvalken in de klokkentoren van de Sint-Michiels- en Sint-Goedelekathedraal, de Sint-Jobkerk in Ukkel en het gemeentehuis van Sint-Pieters-Woluwe.

De flora bestaat uit tuinbouw, vaak exotisch, in bakken, op pleinen, in binnentuinen van stratenblokken en in enkele grote klassieke parken, die belangrijke centra van natuur en erfgoed zijn, zoals het Warandepark, het Josaphatpark, het Leopoldpark, het Jubelpark, het Elisabethpark en het park van de Kruidtuin.

De planten van de dense stad beramen aanvallen op gevels en muurspleten, banen zich een weg door straatstenen en bloemperken. We noemen het geen onkruid meer, maar wilde plantjes die onze straten verfraaien. Een verrassende rijkdom!

Bosstad

De bosstad is uiteraard verbonden met het Zoniënwoud, die waardevolle levende kathedraal die we moeten koesteren, tegelijk sterk en kwetsbaar. In het zuiden van het gewest vinden we nog sporen van verdwenen bossen, waar nu de stad overheerst (Verrewinkelbos, Hauwaert-Kapelbos, Perckbos). Er zijn ook duidelijke overblijfselen in het Woluwepark, het Roodkloosterpark, het Sauvagèrepark en het Dudenpark.

Verspreid over het hele gewest bestaat de bosstad uit zowel unieke, honderdjarige bomen als jonge aanplantingen, geworteld in parken, tuinen en bomenlanen.

De fauna nestelt zich in de bossen en bomengebieden. Onopvallende boomkruipers op stronken en tokkelende spechten, gaaien in eikenbomen, roofvogels zoals haviken, bosuilen en buizerds. Zoogdieren zoals vleermuizen (niet minder dan 14 soorten!), eekhoorntjes die halsbrekende toeren uithalen tussen de takken en reeën. We zien er ook everzwijnen en sporen van dassen.

Aan de bosranden woont het zeer zeldzame en beschermde vliegend hert, de grootste keversoort van onze regio.

De typische flora is die van het onderhout, zoals bosanemonen, boshyacinten, daslook, speenkruid, lievevrouwebedstro en wilde kamperfoelie. En uiteraard bomen, met in het bijzonder de beukenkathedraal, maar ook andere inheemse soorten, zoals haagbeuken, eiken, essen, esdoornen en berken. De bosstad wordt ook vaak geassocieerd met paddenstoelen, want je vindt er meer dan 1000 soorten.

Plattelandstad

De stad verwijst naar onze band met de aarde, ons verleden op het platteland en in de landbouw. Er zijn ook veel tuinen, voortuintjes en plantsoenen aan de voet van flatgebouwen.

Sommige landbouwactiviteiten blijven voortbestaan, zoals groente-, graan- en veeteelt. Andere activiteiten krijgen opnieuw een plaats dankzij de nieuwe trend van stadslandbouw: hop, kruiden en aromatische planten, eetbare bloemen en fruitboompjes.

De typische flora heeft te maken met de landbouwfuncties, zoals knotwilgen, hagen en boomgaarden. Aan de rand van velden en in bloemenweides komen akkerbloemen terug, zoals korenbloemen, klaprozen, bolderiken en gele ganzenbloemen.

De kenmerkende fauna is verbonden met de gecultiveerde, open landschappen: Europese konijnen, patrijzen, steenuilen en boerenzwaluwen. Je vindt er veel insectensoorten, zoals vlinders, sprinkhanen, krekels en zeer veel wilde bijen. Tussen de tuinen, bosjes, boomgaarden en gebouwen zijn er ook enkele plekken van belang voor de eikelmuis, een onopvallend en vruchtenetend knaagdiertje.

Doorheen het hele gewest vinden we de plattelandsstad in tuinen, soms met kippenhokken, moestuinen en fruitbomen. Gazons worden bloemenweides; spoorwegtaluds, wegbermen en grasperken van parken worden beheerd via laattijdig maaien.

Waterstad

De waterstad is vermengd met de andere grote landschappen. De stad heeft zich historisch ontwikkeld in het broekland, in nauwe verbinding met de Zenne en de zijrivieren die de regio vandaag de dag nog doorkruisen en die tegenwoordig steeds meer worden opengelegd.

De waterstad bestaat uit rivieren, bronnen, poelen, vijvers, moerassen, valleibodems en vochtige weides. Je vindt er bijvoorbeeld duidelijke sporen van terug in het moeras van Jette-Ganshoren en het Koning Boudewijnpark, het Josaphatpark en de Woluwevallei. De waterstad bestaat ook uit bronnen, draslanden en regenbomen, die samen het ‘regennetwerk’ vormen.

Bij de flora vinden we onder meer het logo van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: de gele iris, die kenmerkend is voor moerassige gebieden. Je ziet er ook rietvelden en de typische bomen zijn wilgen en elzen.

De fauna is uniek, aquatisch of half-aquatisch, van vissen tot amfibieën die spelen in poelen en vijvers, voordat ze terugkeren naar de bosstad. En zelfs de ringslang, een goede zwemmer en een unieke slangensoort in Brussel, vindt zijn toevlucht in het moeras van Jette.

Sommige zoogdieren zijn specifiek verbonden met het water, zoals de vleermuis die graag op jacht gaat boven de waterplassen in de buurt van beboste gebieden. Of vogels zoals de ijsvogel, de blauwe reiger en de aalscholver. Er zwemmen ook watervogels op de Brusselse vijvers: eenden (wilde eend, mandarijneend), futen, zwanen, waterhoenen en meerkoeten. Je vindt er eveneens invasieve exotische soorten, zoals de nijlgans en de Canadese gans, die je overal tegenkomt.

Van de insecten zijn de libellen en waterjuffers de beste ambassadeurs: de stijgende bevolking duidt op de verbeterende kwaliteit van ons oppervlaktewater.

Date de mise à jour: 04/06/2021